In verband met het WK Wielrennen een voorpublicatie uit mijn boek Hunkeren naar rust. Beginalinea’s uit hoofdstuk 5: contemplatie.
De wielrenner ziet de eerste koeien na de winter uit de stal komen en in vreugdedans over het weiland springen. Als het voorjaar serieus doorbreekt, houdt hij even in en ziet hoe pasgeboren lammeren wat onwennig over de dijk lopen of hongerig reiken naar moeders spenen. Na een drukkende zomerdag is hij er getuige van hoe aan de horizon donderwolken samenpakken en als in oktober de zon zich voor het laatst laat zien, is hij degene die daar intens van geniet. De herfst valt en de wielrenner kent als geen ander de gevaren van natte bladeren op de weg die wegrotten en als het winter wordt verraderlijk vastvriezen aan het oppervlak. De wielrenner ervaart de wereld in eenzaamheid en wijdt zich al trappend op de pedalen volledig aan zijn levensdoel: de beste van het peloton worden. Hij is een monnik op een racefiets. Zijn levenspad en roeping schieten met hoge snelheden onder hem vandaan.
Vier, vijf, zes uur traint hij per dag. Stampend op de trappers bij tegenwind, dansend op zijn fiets als hij een klein bergje bedwingt. Eindeloze polderwegen. Een auto zoeft voorbij, zo nu en dan ziet hij een prooi, een medefietser om in te halen. Koude is er en hitte. Het regent en in de winter fiets hij door de sneeuw. Het houdt de renner niet tegen. Afzien, beulen, mopperen, schelden, maar elke ochtend voelt hij of er nog genoeg spanning op de dunne racebanden staat, of de ketting nog wel soepel loopt en gaat hij de deur uit voor honderd, misschien wel tweehonderd kilometer.
Veel krijgt hij daarvoor terug. Sterke kuiten, monsterlijke dijen, een leeuwenhart. Steeds makkelijker gaat het. 40, 42, 45 kilometer per uur. Met wind mee gaat het vanzelf. Als de zon dan ook nog doorbreekt, heeft hij het gevoel geboren te zijn in een voorovergebogen houding en hoeft hij niets te doen. Ik las eens dat een professioneel wielrenner daarover zei: ‘op die momenten fietst het in mij’.